Geneeskunde in crisis?
Binnen 5 jaar ,werkt 80% van de huisartsen parttime. Dat is vooral nadelig voor ernstig zieken , voor mensen die stervende zijn en voor psychisch ingewikkelde mensen .De medische geschiedenis kun je overdragen, maar niet de band die je als huisarts hebt met je patiënt. Die is uniek.
In plaats van 2 of 3 dagen per week niet te werken ,werk ik vijf halve dagen. Dat is iets minder comfortabel,maar je kan de continuïteit dan behoorlijk handhaven.
(Zeven zorgen voor de huisarts Susanne de Joode)
Een goede organisatie van de praktijk helpt om met de stress om te gaan, zeggen de twee dokters: duidelijke werkuren, weinig huisbezoeken, consultaties op afspraak, evenwicht tussen werk en privé. Klare afspraken met de patiënten helpen ook; in de wachtzaal wordt duidelijk vermeld dat er geen doktersattesten of voorschriften te krijgen zijn zonder doktersconsult. Maar dan nog is het vechten tegen de burn-out.
We beschermen elkaar,geregeld samen stoom aflaten helpt. Humor ook. Toch blijft het beroep een voortdurende en moeilijke evenwichtsoefening tussen engagement en zelfbescherming. En een constant gevecht met schuldgevoelens. We willen zoveel mogelijk mensen helpen, maar we moeten ook neen durven te zeggen.’
standaard 2009
zal in deze schilderachtige uitgestrekte streek niet veel nieuws merken. Maar wat er zich op het gebied van de gezondheidszorg
voltrok, is exemplarisch voor Vlaanderen en op termijn een bedreiging voor de volksgezondheid: in deze regio
is op zeer korte tijd het aantal huisartsen gehalveerd. Wie overbleef, kreeg in enkele maanden tijd te maken met een verdubbeling
van het aantal in te vullen wachtdiensten en een nauwelijks te verwerken toevloed van nieuwe patiënten.
In de gezondheidszorg is de huisarts idealiter het eerste aanspreekpunt voor patiënten met een nieuw probleem.
Maatschappelijk verdient hij die plaats, omdat hij hiervoor is opgeleid. Wie specialiseert, is dat niet. De ultralightversie
van dit systeem, waarbij patiënten die door hun GMD-houdende huisarts worden verwezen naar de specialist een keer
per jaar een verhoogde terugbetaling krijgen, is hoogstens een aanzet. De specialist functioneert pas efficiënt als hij zijn
diagnostische en therapeutische mogelijkheden kan inzetten in een populatie met een hoge ziekte-incidentie, die door
vaardige huisartsen is gefilterd.
Over de middelen zal ik zeer kort zijn. Durft iemand de verhouding te berekenen tussen de investeringen die de laatste
twintig jaar zijn gedaan in de uitbouw en ontwikkeling van de ziekenhuiszorg, en de investeringen van huisartsen in hun
praktijk? Deze verhouding is buiten proportie en symptomatisch voor een huisartsengeneeskunde die gedurende jaren
enthousiast werd verwaarloosd.
Uit enquêtes blijkt steeds opnieuw dat patiënten een groot vertrouwen hebben in hun huisarts, maar met een hoestend
kind vlot naar de pediater stappen of voor een uitstrijkje of een pilvoorschrift de gynaecoloog raadplegen. Dit is
een bewijs van de onduidelijkheid bij het grote publiek over wat huisartsenwerk precies inhoud. Dit gedrag van patiënten
versmalt de verschillende soorten klachten die bij de huisarts terechtkomen, terwijl deze grote diversiteit van de huisartsopleiding
voor studenten juist zeer aantrekkelijk is.
Een goed uitgebouwde eertstelijnsgezondheidszorg met middenin een kwaliteitsvolle huisartsengeneeskunde
– die over voldoende middelen beschikt zodanig dat huisartsen zich maximaal kunnen concentreren op hun
klinische taken waarvoor ze een ‘excellente’ academische opleiding kregen – kan voor jonge gemotiveerde mensen het
vak opnieuw aantrekkelijk maken. Op die manier kan de huisartsengeneeskunde er mee voor zorgen
dat de beschikbare middelen voor de gezondheidszorg efficiënter worden ingezet en dat meer mensen meer en betere zorgen
krijgen. Zo verhogen we de zorgtoegankelijkheid voor alle categorieën van patiënten en dragen we bij tot het vormgeven
van een zorgzame en solidaire samenleving. Nochtans blijft bij dit ambitieuze programma de vraag hoe je die grote
groep van vijftigers (de helft van de huidige huisartsen) in beweging kunt krijgen om de noodzakelijke stappen naar verandering te zetten?
Overgenomen uit Hanu (Tijdschrift Belgische huisartsen)
M. Lemiengre, hoofdredacteur
Prof Jan De Maeseneer (2009)
Ik moet niemand overtuigen van het belang van een goed uitgebouwde eerste lijn in de geneeskunde. De eerste lijn werkt kostenbesparend,bevordert de volksgezondheid, helpt de individuele persoon greep te houden op zijn of haar gezondheid. In allerlei opzichten hebben we dus alle baat bij een goede eerste lijn. Maar daarvoor hebben we wel goedopgeleide en vooral voldoende huisartsen nodig.
Een voldoende brede kijk in die basisopleiding, waarbij "de zieke" net zo goed aandacht krijgt als "de ziekte", zal de studenten ongetwijfeld ook beter vertrouwd maken met wat in de beroepsuitoefening van de huisarts verwacht wordt. De slinger mag inderdaad niet doorslaan naar doorgedreven specialisatie en zelfs reductionisme, ten nadele van een meer generalistische kijk. De complexiteit van de huisartsgeneeskunde met haar vele dimensies lijkt daardoor voor veel studenten immers niet aantrekkelijk en voor sommigen zelfs bedreigend ten opzichte van de relatieve zekerheid die meer technische specialismen lijken te bieden.
Minister Frank Vandenbroucke (2008)
Gezondheidszorg IN BELGIÊ 2010 (KCE)
Toegankelijkheid van gezondheidszorg is hoog, curatieve zorg lijkt slecht te scoren
Het KCE wenst te benadrukken dat de resultaten van de pilootstudie gebaseerd zijn op een beperkt aantal indicatoren (zie tabel 1, p6) die zich vooral richten op klinische aspecten van de gezondheidszorg. Daarom moeten de resultaten (tabel 2, p11) met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd en gebruikt.
De Belgische gezondheidzorg lijkt goed te scoren op gebied van toegankelijkheid, hoewel de eigen bijdragen van de patiënt relatief hoog liggen. Het hoge aantal afgestudeerde artsen en verpleegkundigen is een positief element, maar het gebrek aan gegevens over het aantal actieve zorgverleners is een aandachtspunt. Een diepgaande analyse van de toekomstige nood aan en aanbod van zorgverleners is dringend nodig.
De veiligheid in de ziekenhuizen lijkt matig tot goed, met onder andere een daling van het aantal infecties met de ziekenhuisbacterie (MRSA). Anderzijds wordt er een toenemende blootstelling aan medische straling vastgesteld, vooral door een hoog gebruik van CT scans.
De preventieve zorg behaalt een matig resultaat voor kankerscreening en gezondheidspromotie. In vergelijking met andere landen worden de Belgen nog onvoldoende op bepaalde types van kanker (bvb borstkanker voor de leeftijdsgroep van 50 tot 69 jaar, of baarmoederhalskanker voor 25 tot 64 jaar) gescreend, met bovendien een groot verschil tussen de regio’s.
De scores voor de effectiviteit en continuïteit van de curatieve, of ‘genezende’ zorg roepen dan weer vragen op, althans voor wat betreft de gekozen indicatoren in de pilootstudie. Hoewel er een daling merkbaar is, blijft het aantal baarmoederverwijderingen hoog. Daarnaast is er de toename van het aantal keizersneden, maar het cijfer blijft nog wel onder het internationale gemiddelde.